Platform31, interview Han Noten: 'Er is één sociaal domein. Handel daarnaar!'

‘Er is één sociaal domein. Handel daarnaar!’ Dat is de ondubbelzinnige centrale boodschap van de vierde rapportage van de Transitiecommissie Sociaal Domein (TSD). Twee jaar lang heeft deze driekoppige commissie de voortgang van de drie transities binnen het sociale domein (Wmo, Participatiewet, Jeugdwet) gemonitord. Het sociaal domein is nog geen eenheid met één integrale aanpak, zo blijkt uit het werk van de commissie. Met name ‘werk en inkomen’ is lokaal nog onvoldoende onderdeel van de integrale aanpak.

In september 2016 zit de taak van de commissie er formeel op. Platform31 vraagt de drie commissieleden om terug en vooruit te kijken. Han Noten is voorzitter van de TSD. Hij heeft de commissie samengesteld.

“De commissie is in het leven geroepen als onafhankelijk scheidsrechter. Maar ook om de hele operatie te legitimeren”, zegt u in een interview in Sozavox. Hoe heeft u uw taak precies ingevuld?
Al bij de aanvaarding van de opdracht heb ik aangegeven die te zullen herdefiniëren. De opdracht luidde: volg de ontwikkeling en meld het aan de minister als er iets niet goed gaat. Maar dat was een onhaalbare kaart: de ontwikkelingen volgden elkaar zeer snel op en er waren zeer veel spelers bij betrokken. En commissies, er was een hele wildgroei aan commissies ontstaan. Daarnaast was het de bedoeling dat er lokaal keuzes gemaakt zouden worden. Die keuzes konden en wilden wij niet casus voor casus inhoudelijk beoordelen. Dat hebben we dan ook afgesproken toen we voor de eerste keer bij elkaar kwamen in Dalfsen: we gaan niet beoordelen en veroordelen. We wilden de ontwikkelingen volgen en beschouwen voor wat ze waren: ontwikkelingen.
Natuurlijk gaan er zaken nog niet helemaal goed en zijn de stappen spannend, maar dat hoort bij ontwikkelen. We wilden geen dingen problematiseren, maar ze op zo’n concrete manier op de agenda zetten dat je er een zinnig gesprek over kunt hebben.

Maar als u niet beoordeelt, hoe beschouwt u die ontwikkelingen dan wel?
De centrale vraag waarmee we veel informatie loskregen was: wil je terug naar twee jaar geleden? Het antwoord was altijd ‘nee’. Gevolgd door ‘maar…’. Met wat er achter dat ‘maar’ komt, kun je werken. De transitie is in de kern een onveilig proces, zekerheden zijn er niet. Je moet continu blijven bevoelen en aftasten of we nog de juiste kant op gaan. Het gaat om zorg, om werk, om gezondheid, dus om belangrijke en gevoelige onderwerpen.
Of het goed of slecht gaat is een te beperkte invalshoek.

Heeft u dan nooit het gevoel gehad: jongens, dit doen jullie helemaal fout?
Ik was wel erg kritisch over het gebrek aan samenwerking. Aanbieders die zeiden ‘gemeenten kunnen het niet’, cliëntenorganisaties die alleen maar bezig waren met actievoeren en klachten genereren… Ik heb buiten het fenomeen van de actievoerende instituties willen blijven.

Hoe heeft u de ontwikkelingen dan precies gevolgd? Welk onderzoek heeft u gedaan?
Nee, nee, we hebben direct in het begin afgesproken: wij gaan géén onderzoek doen. Er zijn er al veel te veel en die zijn, zodra ze uitkomen, al achterhaald. Bovendien: een algemeen onderzoek zegt helemaal niets over de situatie in een specifieke gemeente. Decentralisatie draait om verschillen, niet om gemiddelden. Oftewel: N=1. We hebben heus wel wat bestaande onderzoeken gelezen – van zeer wisselende kwaliteit – maar we hebben vooral gepraat met mensen in de praktijk. En dat is de beste manier om er achter te komen wat er gebeurt. Dat vind je echt niet uit door vragenlijstjes rond te strooien met puntschalen.

En, hoe staat het nu met de integrale aanpak?
In de dagelijkse praktijk werkt het gewoon al. De energie zit bij de uitvoering. Ik zie het werken, ook al is er geen ‘onderzoek’ om dat te bewijzen. Ik zie het natuurlijk ook zelf, als burgemeester. Als er in Dalfsen een kleine crisis is in een gezin, dan sluit nu het hele net zich, van wijkteam, tot kerk, zorg en burgemeester… Dat werkt, omdat het dan draait om het hele gezin en om verder gaan. Let wel, voor hele ernstige multi-problematiek werkt het nog niet. Je hebt het dan over mensen die 24 uur zorg nodig hebben.

Zijn de gemeenteraden en colleges wel voldoende toegerust voor hun taak hierin?
Ja, natuurlijk. Het is een vreemd fenomeen dat die vraag bijna nooit gesteld wordt als het gaat over het onderhouden van het riool of het ondersteunen van sportverenigingen. Waarom zou ik daar als bestuurder zelf alle verstand van moeten hebben? Met de zorg net zo. Als ik als burgemeester beslissingen moet nemen, dan laat ik mij goed voorlichten door de professionals én door de inwoners.

Hoe kan een gemeenteraad sturen op de integrale aanpak?
Raden moeten in gesprek met belanghebbers en vooral ook gaan praten in de wijk. Alleen als je je laat voeden door de uitvoeringspraktijk kun je keuzes maken en belangen afwegen. Kadernotities krijgen raden meestal wel voor elkaar. Maar kijken hoe die uitvoeringspraktijk loopt is héél lastig, daar is nog geen systeem voor. Want: zodra er WEL checklists zijn om te monitoren, dan is de transformatie dus blijkbaar mislukt…
Ik snap het wel, dat er angst in het systeem zit. Fouten in het sociale domein zijn meteen ingrijpend. Daarnaast geldt: al doe je álles goed, het kan toch fout gaan.

“We constateren een dubbel verlangen bij het streven naar lokaal maatwerk enerzijds en de wens naar zekerheid en eenduidigheid anderzijds.”
eerste rapportage TSD

Kun je de uitvoeringspraktijk dan eigenlijk wel checken?
Natuurlijk vragen professionals en raadsleden zich af ‘doe ik het wel goed?’. De bezuinigingen maken het ook heftiger. We moeten de uitvoeringspraktijk versterken, samenwerking organiseren en verbindingen leggen tussen huisarts, wijkteam, ggz, onderwijs enzovoort… We zijn met elkaar professionaliteit aan het herdefiniëren. De enkelvoudige benadering van de professional die vanuit zijn eigen koker kijkt voldoet niet meer. Je moet meer zien, je moet iemand in de omgeving zien waarin hij leeft. Dat is nieuw en ingewikkeld. Maar het is echt wel te doen.

“Wij roepen raadsleden, wethouders en management op om wijkteams de ruimte te bieden en vertrouwen te hebben in de capaciteiten van de medewerkers. Om hun rol te nemen in het bevorderen van maatwerk en integraliteit, in het wegnemen van belemmeringen in lokale regelgeving en beleid of in de organisatorische en administratieve sfeer.”
derde rapportage TSD

U heeft in eerdere interviews wel aangegeven dat schulden de oorzaak zijn van vele problemen in het sociale domein. De commissie adviseert om ontkokerd en met open blik tot een aanpak te komen.
We hebben het heel stevig op de agenda gezet omdat we merkten dat schulden vaak buiten het vraagstuk werden gehouden, waardoor het leek dat 80 procent van de vragen enkelvoudig waren. “Het valt allemaal wel mee met de samenhang”, werd er gezegd. Dat is natuurlijk onzin als je ziet dat in het merendeel van de gevallen schulden een bepalende factor van de problemen vormen.
We hebben het ook benoemd omdat degene die met problemen in het sociale domein geconfronteerd wordt, namelijk de overheid, eveneens de belangrijkste veroorzaker is van die problemen. Er is geen samenhang in de incassoaanpak van verschillende instanties, sancties worden op elkaar gestapeld en zo wordt het probleem voor mensen alleen maar groter. Eerst die schulden aanpakken dus.

“De TSD heeft begrip voor het uitgangspunt dat mensen een eigen verantwoordelijkheid hebben en dat wie zijn billen brandt op de blaren moet zitten, maar er is een moment dat de burger de overheid weer aan zijn zijde mag verwachten.”
vierde rapportage TSD

Hoe moet dat in de praktijk van de integrale aanpak? Zou de regisseur eigenlijk een deskundig schuldhulpverlener moeten zijn?
Ook dit moeten we nog ontwikkelen met elkaar. Het huisartsenmodel werkt in mijn ogen het best. Je moet als wijkteam goed weten wat je niet weet. Te vaak denkt de generalist dat hij het snapt, terwijl dat niet zo is. Voor psychiatrische problematiek of arbeidsmarktvraagstukken moet je naar een specialist, maar voor schulden net zo goed.

Welk effect hebben de decentralisaties op het bestuur?
De machtsverhoudingen zijn verschoven, maar we hebben het nog niet door. Door die decentralisaties zijn de relaties tussen partijen fundamenteel veranderd. Den Haag schrijft het niet meer voor, beste burgemeester, JIJ moet het doen. De centrale wetgeving geeft veel ruimte voor lokale invulling. En nu ontdekt het rijk tot zijn verbazing dat die gemeentes niet meer precies doen wat de ministeries hebben bedacht… Er heerst een soort wederzijdse verontwaardiging dat de een niet meer doet wat de ander gewend was. Ik ben erg geïnteresseerd in hoe dat de komende paar jaar gaat.

Is die interesse een vrezen of een hopen?
Ik heb oprecht veel vertrouwen in de uitvoeringspraktijk, maar ik ben echt bang dat het hele bestuurlijke systeem eromheen niet meekomt. Ministeries, de Tweede Kamer, de inspecties, colleges, ze worden allemaal gedreven vanuit sturings- en controlebehoeftes. Maar: hoe complexer je besturing is, hoe minder ruimte de uitvoeringspraktijk heeft om te doen wat er moet gebeuren. De bestuurders op al die lagen willen steeds allerlei dingen weten om hun – al dan niet nieuwe – beleid te legitimeren. En dat is een grote belemmering voor de uitvoeringspraktijk.

Hoe nu dan verder?
We moeten een nieuwe fase in. We zijn met de transities met zijn allen in het diepe gesprongen. Dat moest misschien, omdat we anders niet te water gingen, maar nu wordt het tijd om een paar inrichtingsvragen te stellen.
We moeten het hebben over normen, definities en over het versterken van de uitvoeringspraktijk. We moeten bijvoorbeeld de verschillende privacyrichtlijnen samenvoegen. En idealiter brengen we ook de 40.000 productcodes van de zorg terug naar twaalf, of liever nog naar acht… Idealiter maken we een soort algemeen programma voor het sociaal domein, op de leest geschoeid van ‘ruimte voor de rivier’ of de Omgevingswet.
Daar moeten we in gezamenlijkheid aan werken. Benoem een commissaris en neem vijf jaar de tijd om het uit te werken. Dat is het echt waard.

Bent u die commissaris?
Nee, wil persoonlijk niet verder. Ik moet tijd geven aan de gemeente. Het werk voor de commissie was heel intensief, zowel inhoudelijk als wat betreft de tijdsinvestering. Daarnaast speelde bij ons als commissie óók de vraag ‘doe ik het wel goed’. Dat kost evengoed energie. Daar komt bij: ik wil niet in de dynamiek terechtkomen die rond de komende verkiezingen zal ontstaan. Wij hebben er gezamenlijk voor gekozen de opdracht apolitiek te vervullen. Dan wil ik niet straks in de verkiezingstijd steeds mijn verhaal over de drie transities moeten houden, dat dan in een politieke context wordt getrokken. Tijd voor een nieuwe commissie, die er hopelijk voor gaat zorgen dat het bestuur de praktijk gaat ondersteunen, in plaats van belemmeren. Dat zou de belangrijkste transformatie zijn.

Door: llse Crooy

 

Bron: Platform 31